9.4. Sleutelwerken en topstukken

Ontstaan en eerste cases

De notie sleutelwerken duikt voor het eerst op in het beleid naar aanleiding van een concrete noodsituatie. Op 5 juli 2004 signaleerde het Gentse Museum voor Schone Kunsten de minister van Cultuur dat de eigenaar van Christus aan het volk getoond, een tekening van James Ensor die het museum sinds lang in bruikleen heeft, wenste te verkopen.

De directeur van het museum argumenteerde in zijn brief dat het om een cruciaal werk in de ontwikkeling van Ensor gaat, dat de tekening de pendant vormt van de tekening De Intrede van Christus, een tekening uit dezelfde reeks, in eigendom van het museum. Hij schreef het volgende:

“Met een jaarlijks aankoopbudget van 74.370 euro kan het Museum voor Schone Kunsten Gent, rekening houdend met de geldende subsidiemogelijkheden, dit kunstwerk niet zelf aankopen. Het werk valt niet in de top prijsklasse, maar overstijgt anderzijds ook onze mogelijkheden. Daarom de vraag of de Vlaamse Gemeenschap niet kan overwegen een dergelijk stuk zelf aan te kopen om het in permanente bruikleen te geven aan het Gentse Museum…...”

De démarche was succesvol. Op 23 september 2004 tekende de vorige minister de bestelbrief. De beslissing tot aankoop werd verantwoord vanuit de wenselijkheid tot verdere uitbouw van de collectie Vlaanderen (het geheel van de publieke collecties in Vlaanderen); en op basis van de overweging dat de tekening een sleutelwerk vormt voor de collectie van het museum.

In de motivatie van de aankoop liepen een generalistisch en een specifiek beleidsdiscours samen. Enerzijds leefde er bij de overheid de wens om de collectie Vlaanderen uit te bouwen; anderzijds was er het streven van individuele musea om voor de eigen collectie sleutelwerken te verwerven. Met de notie belang van het werk werd de potentiële kloof tussen beide ambities gedicht. Als het kunstwerk binnen beide ambities als ‘belangrijk’ omschreven kon worden, dan kon het – zo de prijs haalbaar is – gekocht worden. Het is deze driehoek van begrippen – collectie Vlaanderen, sleutelwerk en belang van het cultuurgoed – die de basis vormden voor de verdere uitbouw van het aankoopbeleid op het vlak van sleutelwerken en topstukken.

De betreffende nota formuleerde deze overwegingen als volgt:

De verwerving van dit werk past naadloos binnen het concept van de ‘collectie Vlaanderen’. Met ‘collectie Vlaanderen’ wordt het geheel van de in Vlaanderen aanwezige publieke collecties bedoeld. Beleidsmatig moet er naar gestreefd worden om via deze collecties aan het publiek een kwalitatief overzicht te bieden van de cultuurgeschiedenis van Vlaanderen, gesitueerd binnen de grotere Europese en internationale tradities. Op dit vlak dient gestreefd te worden om, waar mogelijk, lacunes binnen dit werkgeheel aan te vullen.

[…] Het Museum [MSK Gent] toont in het door haar voorgelegde dossier op overtuigende wijze aan dat de tekening in kwestie een centraal onderdeel vormt van haar tekeningencollectie uit de symbolistische periode. De tekening vormt samen met zijn pendanttekening ‘Intrede van Christus’, beide uit de voor het oeuvre van Ensor cruciale tekeningenreeks ‘De Aureolen’, een sleutelwerk voor de collectie tekeningen en prenten van het museum, een collectie-onderdeel dat door het museum in de loop van de voorbije jaren sterk werd uitgebreid.”(1)

Opmerkelijk was dat bij deze aankoop (nog) geen beleidsmatige link gemaakt werd met het toen pas ingevoerde Topstukkendecreet (2). Voor sleutelwerken geldt immers in eerste instantie de collectieratio van de erfgoedinstelling, voor topstukken staat het belang van het stuk zelf centraal, los van de context van een collectie. Een sleutelwerk voor een museale collectie hoeft dus niet noodzakelijk een topstuk te zijn in de zin van het Topstukkendecreet. De tekening van Ensor was op het moment van de aankoop wel voorgedragen voor opname in de Topstukkenlijst, maar nog niet beschermd.

De link tussen sleutelwerken en topstukken werd pas één jaar later gelegd, bij de aankoop van het tweede sleutelwerk: de Prova Car van Panamarenko (juli 2005).

In de argumentatie tot aankoop van de Prova Car werd expliciet het topstukkengehalte van het werk getoetst (3). Voldoet het werk aan de criteria zeldzaam en onmisbaar, criteria die als voorwaarden gelden voor de opname van een cultuurgoed in de Topstukkenlijst? Ook in de communicatie werd het feit dat een ‘topstuk’ werd aangekocht flink in de verf gezet (4).

Sinds de aankoop van de Prova Car worden alle ‘sleutelwerken’ ook op hun topstukgehalte gescreend. En, op de film- en fotocollectie Mertens na (5), werden alle daaropvolgende aankopen gemotiveerd met het argument dat het niet alleen om een sleutelwerk gaat binnen de collectie van de erfgoedinstelling, maar ook om een topstuk, waarmee dan bedoeld wordt dat het cultuurgoed voldoet aan de inhoudelijke voorwaarden voor opname in de Topstukkenlijst.

In de latere dossiers liepen de toetsing van de plaats van het cultuurgoed in de collectie Vlaanderen en de toetsing van het topstukgehalte meer en meer door elkaar. Ondanks de duidelijk verschillende beleidsratio – voor sleutelwerken geldt in eerste instantie de collectieratio van de erfgoedinstelling, voor topstukken staat het belang van het stuk an sich centraal – worden topstuk en sleutelwerk in de dossierpraktijk steeds meer onderling inwisselbare termen. Logisch, topstukken zullen, net omwille van hun belang, quasi altijd ook sleutelwerken zijn voor collecties. En omgekeerd zullen sleutelwerken voor collecties vaak ook topstukkwaliteiten in de zin van het Topstukkendecreet hebben.

 

Verankering in het beleid

De case van de Ensor-tekening kreeg formeel weerklank in de beleidsnota Cultuur 2004-2009. De minister kondigde in deze beleidsnota (25 oktober 2004) de invoering aan van een experimentele regeling waarbij aan de musea en culturele archiefinstellingen van landelijk belang een voorstelrecht wordt toegekend voor de aankoop van ‘cruciale collectiestukken voor hun collectievorming’, die door hun hoge marktwaarde buiten de eigen aankoopmogelijkheden van de erfgoedinstellingen vallen en op termijn naar het buitenland dreigen te verdwijnen (6).

Vanaf dat moment kwam de sleutelwerkenregeling ook telkens terug in de jaarlijkse beleidsbrieven van de minister. Niet geheel verrassend, omdat nog in 2005 een tweede en een derde sleutelwerk verworven werden: op voorstel van het M HKA werd de Prova Car van Panamarenko aangekocht (20 juli 2005) en op voorstel van het SMAK het werk Pense-Bête van Marcel Broodthaers (20 december 2005).

In de eind 2005 gepubliceerde catalogus Collectie Vlaamse Gemeenschap. Aanwinsten 1999-2001 vestigde de minister van Cultuur in zijn voorwoord expliciet de aandacht op de “recente verschuiving van de focus binnen het aankoopbeleid: van de loutere aankoop van ‘hedendaagse kunst’ naar de aankoop van 'sleutelwerken' voor erfgoedcollecties.”(7)

Twee grote lijnen in deze tekst:

  1. de verantwoordelijkheid voor de erfgoedzorg in Vlaanderen is een verantwoordelijkheid die de Vlaamse overheid deelt met de andere overheden in Vlaanderen, in het bijzonder met de steden en de provincies.
  2. de rol van de Vlaamse overheid bestaat erin om voor de publieke collecties in Vlaanderen die cruciale collectiestukken te verwerven die door hun hoge marktwaarde buiten het bereik van de individuele erfgoedinstellingen (en hun bevoegde overheden) vallen. “Het is dan ook daar dat de Vlaamse overheid voor de ‘collectie Vlaanderen’ het verschil moet maken”, aldus de minister.

Via de sleutelwerkenregeling wilde de minister een beleid voeren dat complementair is met dat van de andere actoren, in hoofdzaak de steden en provincies als inrichtende machten van vele erfgoedinstellingen in Vlaanderen. Terugblikkend op de voorbije tien jaar bleek dit subsidiariteitsprincipe, samen met een sterk op veldontwikkeling gerichte attitude, de grote constante te zijn geweest binnen het erfgoedbeleid van de vorige minister. Het nieuwe Cultureel-erfgoeddecreet (2008) vormde allicht de meest duidelijke exponent van deze inspiratie.

De tekst in het voorwoord is een verkorte visie van een langere (niet gepubliceerde) visietekst uit 2006 die het door de minister geambieerde sleutelwerkenbeleid mooi verwoordt:

De ‘collectie Vlaanderen’, het erfgoed, een gedeelde verantwoordelijkheid

De Vlaamse overheid deelt samen met de andere overheden in Vlaanderen, en in het bijzonder samen met de steden en de provincies, een belangrijke verantwoordelijkheid ten aanzien van het roerend en immaterieel cultureel erfgoed in Vlaanderen.

De verschillende overheden staan voor de uitdaging om, elk op hun niveau en binnen de draagkracht van de eigen middelen een beleid te ontwikkelen en uit te voeren, dat het voor musea en erfgoedinstellingen mogelijk maakt het publiek valabele, hoogstaande en ontsloten collecties te bieden die een adequaat beeld geven van de eigen culturele identiteit binnen een steeds evoluerende internationale en interculturele context. Het geheel van deze collecties kan omschreven worden als de ‘collectie Vlaanderen’. Het begrip ‘collectie Vlaanderen’ geldt daarbij als een werknotie die uitdrukkelijk niet de ambitie heeft om na verloop van tijd samen te vallen met een reëel bestaande, op één plaats gecentraliseerde, collectie in de 19de-eeuwse zin van het woord. Het begrip spreekt wel van de wens tot verdere ontwikkeling en versterking van samenwerkingsverbanden op het vlak van collectiewerking. De kern van de ‘collectie Vlaanderen’ wordt gevormd door de collecties van de landelijke erfgoedinstellingen. Het gaat daarbij zowel om de erkende musea ingedeeld bij het landelijke niveau (Erfgoeddecreet) als om de op landelijk niveau erkende archieven, bewaarbibliotheken en documentatiecentra.

Het voeren van een collectiebeleid, het opstellen van een collectieplan en het voeren van een verwervings- en afstotingsbeleid zijn in eerste instantie de verantwoordelijkheid van elke erfgoedinstelling en haar bevoegd gezag of inrichtende macht. Het is de opdracht van (en grote uitdaging voor) de erfgoedinstellingen en hun inrichtende macht of bevoegd gezag om hun collectiebeleid ter harte te nemen en ‘tijdig’ te verwerven, alvorens de financiële waarde van objecten en verzamelingen een hoge vlucht neemt. De steden, gemeenten en provincies spelen daarbij als bevoegd gezag of als ondersteunende / subsidiërende overheid een belangrijke rol.

Conform het subsidiariteitsprincipe dient de Vlaamse Gemeenschap bij de collectieopbouw van de ‘collectie Vlaanderen’ haar beleid te focussen op taken en verantwoordelijkheden die niet door de andere overheden of het bevoegde gezag van de erfgoedinstellingen ingevuld (kunnen) worden.

Bij de uitbouw van hun collectie worden de erfgoedinstellingen, en in het bijzonder de kunstmusea, geconfronteerd met de hoge marktwaarde van de voor hun collectie belangrijke sleutelwerken. De realiteit leert dat de middelen bij andere overheden of het bevoegde gezag zelden toereikend zijn voor de aankoop van deze sleutelwerken. Cruciale collectiestukken dreigen daardoor definitief buiten het bereik van onze erfgoedinstellingen te blijven. Het is dan ook daar dat de Vlaamse overheid voor de ‘collectie Vlaanderen’ het verschil moet en kan maken.

De experimentele ‘regeling sleutelwerken’ biedt het kader om de aankoop van sleutelwerken voor de collecties van de landelijke erfgoedinstellingen en dus voor de ‘collectie Vlaanderen’ mogelijk te maken.

 

Meer dan schone kunsten alleen

Van in het begin werd de notie sleutelwerk inhoudelijk breed gedefinieerd. De regeling komt voort uit de problematiek van de collectievorming van de musea voor schone kunsten maar is er niet toe beperkt. Op 9 november 2006 werd het archief Capronnier aangekocht, een glazeniersarchief dat meer dan een eeuw glaskunst in België overspant. Het is de eerste aankoop van een sleutelwerk waarmee de minister buiten de lijntjes van de Schone Kunsten kleurt en als dusdanig een bevestiging van zijn visie dat erfgoed van uitzonderlijk belang meer is dan beeldende kunst. Een jaar later zou de minister zijn ruime erfgoedvisie op een opvallende manier bevestigen door de aankoop van de collectie mechanische orgels Jef Ghysels.

 

Naar een proactief topstukkenbeleid

Het jaar 2007 begon slecht. Op 14 februari 2007 werd bekend gemaakt dat het Gruuthuse-handschrift, tot dan in privébezit van de adellijke familie Van Caloen, aan de Koninklijke Bibliotheek van Den Haag was verkocht. De minister van Cultuur moest spitsroeden lopen. De onmacht van het Topstukkendecreet werd aangeklaagd. Het feit dat de verkoper en zijn bemiddelaar, nochtans een bekend erfgoedzorger, wel de Koninklijke Bibliotheek van België hadden benaderd maar geen contact hadden opgenomen met het kabinet van de Vlaamse minister van Cultuur, noch met de toenmalige administratie Cultuur, noch met enige Vlaamse erfgoedinstelling, maakte de pil zeer bitter.

Bij de opening van het vernieuwde Museum voor Schone Kunsten van Gent maakte de minister van Cultuur zijn actieplan bekend: de opstelling van de Topstukkenlijst, onvermijdelijk een werk van lange adem, wordt versneld en er werd een proactief topstukkenbeleid aangekondigd. De minister wil actief cultuurgoederen verwerven die dan na verwerving op de Topstukkenlijst geplaatst kunnen worden.

De minister van Cultuur heeft een cadeau meegebracht, zo vertelt hij, waarna hij in aanwezigheid van een ruim opgekomen publiek het eerste resultaat van zijn proactieve topstukkenbeleid onthult: Pierrot et Squelette en jaune, een meesterwerk van de hand van James Ensor, door de minister uit de Verenigde Staten naar huis gebracht.

Pierrot et Squelette en jaune vormde een keerpunt. Vanaf dan ging de Vlaamse overheid zich meer en meer profileren als buyer of last resort. De aankoop van het Antifonarium Tsgrooten (1 februari 2008) vormde daarvan een mooi voorbeeld. Wanneer bleek dat noch de Koninklijke Bibliotheek, noch de Koning Boudewijnstichting het werk konden of wilden aankopen, was het uiteindelijk de minister van Cultuur die, in nauw overleg met het kersverse netwerk van de erfgoedbibliotheken in Vlaanderen, het boekwerk aankocht. Het antifonarium werd in bruikleen gegeven aan de erfgoedbibliotheek van de Gentse Universiteit.

Deze profilering ging bij de Vlaamse erfgoedinstellingen niet ongemerkt voorbij. In de loop van 2008 realiseerde de minister van Cultuur zo twee aankopen. Voor het Brugse Groeningemuseum kocht hij drie zijpanelen aan van het Sint-Niklaasretabel van de Meester van de Sint Lucia Legende met het oog op de hereniging met het middenpaneel van het retabel dat al lange tijd tot de collectie van het Groeningemuseum behoort. De stad Brugge engageerde zich om op zoek te gaan naar het laatste ontbrekende paneeltje. Voorlopig echter nog zonder succes. Voor het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen verwierf hij een pas opgedoken werk van Adriaan Brouwer ter aanvulling van de profane collectie 17de-eeuwse kunst van het museum. Beide werken werden inmiddels in de Topstukkenlijst opgenomen.

Het absolute hoogtepunt van dit nieuwe proactieve topstukkenbeleid vormde de aankoop, augustus 2008, van het werk Les Enfants à la toilette (Kinderen aan het Ochtendtoilet). Het gaat om een werk van Ensor met een hoog icoongehalte, tot dan in privébezit en sinds 26 april 2007 opgenomen in de Topstukkenlijst.

Voorjaar 2009 werd ook het werk Malpertuus van Frits Van den Berghe aangekocht, een scharnierwerk binnen het oeuvre van de kunstenaar. Het schilderij werd in langdurige bewaring gegeven aan het Gentse Museum voor Schone Kunsten.

 

Een nieuwe minister treedt aan

Op 13 juli 2009 trad minister Schauvliege aan als nieuwe minister van Cultuur. Amper twee weken in functie, besloot minister Schauvliege op 29 juli 2009 om het literaire archief van Willem Elschot te verwerven; een operatie opgezet in samenwerking met de stad Antwerpen die het zakelijke archief van de auteur verwierf. Met deze gezamenlijke aankoop kwam er een goed einde aan de lang aanslepende discussie over de bestemming van dit voor de Nederlandstalige letterkunde belangrijk archief. Het Elsschotarchief wordt sindsdien bewaard in het Antwerpse Letterenhuis dat instaat voor de goede bewaring en ontsluiting van dit belangwekkende archief.

In haar beleidsnota Cultuur (2009-2013) stelde de minister dat zij werk wil maken van het operationeel maken van het Topstukkenfonds. Dit Fonds werd opgericht door het Topstukkendecreet in 2003 maar bleef tot 2010 een lege doos. Het Topstukkenfonds moet, aldus de minister, het mogelijk maken om op een selectieve en efficiënte manier sleutelwerken te verwerven voor de Collectie Vlaanderen. Ik wil middelen zoeken om de slagkracht van dit Fonds te vergroten en zal hiertoe mogelijke samenwerking met private partners onderzoeken (8).

De minister van Cultuur voegde het woord bij de daad. In de begroting 2010 werd, in moeilijke budgettaire omstandigheden, voor het eerst, sinds de oprichting van het Fonds een dotatie (462.000 euro) voor het Topstukkenfonds ingeschreven. Een onderzoek naar de mogelijkheden van PPS-financiering van het Topstukkenfonds werd geïnitieerd.

 

 


 

VOETNOTEN

(1) nota van de administratie Cultuur aan de minister van Cultuur, d.d. 9 juli 2004.

(2) decreet van 24 januari 2003 houdende de bescherming van het roerend cultureel erfgoed van bijzonder belang (Belgisch Staatsblad van 14/03/2003); uitvoeringsbesluit van 5 december 2003 (Belgisch Staasblad van 6/02/2004).

Het Topstukkendecreet voorziet in de opstelling van een Lijst waarin het roerend cultureel erfgoed wordt opgenomen dat wegens zijn archeologische, historische, cultuurhistorische, artistieke of wetenschappelijke betekenis voor de Vlaamse Gemeenschap behouden dient te worden. Het moet daarbij om cultuurgoederen gaan die zeldzaam en onmisbaar zijn. Zeldzaam betekent dat er zich weinig andere gelijke of gelijksoortige voorwerpen of verzamelingen in Vlaanderen bevinden. Onmisbaar betekent dat het voorwerp of de verzameling minstens één van de volgende vier eigenschappen bezit: een bijzondere waarde voor het collectieve geheugen, een schakelfunctie, een ijkwaarde of een bijzondere artistieke waarde. Voor de krachtens dit decreet beschermde cultuurgoederen geldt een beschermingsregime. De Topstukkenlijst bevat momenteel 203 objecten en 13 verzamelingen.

(3) In de nota van 15 juli 2005 aan de Inspectie van Financiën luidt het als volgt:

“Vroeg werk van Panamarenko, zeker van museaal formaat, is erg zeldzaam. Er zijn slechts twee essentiële sleutelwerken uit 1967 die de overgang markeren van de vroegere poëtische objecten met hun diversiteit aan thema’s naar de Panamarenko die we nu kennen […]. ‘Prova Car’ is het tweede werk. Hiermee voldoet het werk aan het criterium schakelfunctie. De ‘Prova Car’ heeft tevens een bijzondere waarde voor het collectieve geheugen…”.

(4) Zo bijvoorbeeld Bart De Baere, directeur van het M HKA en voormalig raadgever van de vorige minister van Cultuur voor beeldende kunsten en erfgoed in een interview met De Standaard: “Dit sleutelwerk van Panamarenko is het eerste topstuk dat de Vlaamse Gemeenschap dankzij het Topstukkendecreet voor ons patrimonium kon redden. Toen enkele jaren geleden het Flugzeug uit dezelfde periode op de markt kwam, was er geen mogelijkheid om het in ons land te houden.” (uit: “Panamarenko komt thuis”, De Standaard, 20 juli 2005).

(5) Op 12 februari 2007 werd op vraag van het Vlaams Filmmuseum en -Archief de ‘film- en fototoestellencollectie Mertens’ aangekocht; een sleutelwerkcollectie voor dit museum, maar geen ‘topstuk’. Belangrijk aan deze collectie is dat alle apparatuur nog functioneert.

(6) Een voorstelrecht voor verwerving: Bij de uitbouw van hun collectie worden de erfgoedinstellingen, in het bijzonder de kunstmusea, geconfronteerd met de hoge marktwaarde van de voor hun collectie belangrijke sleutelwerken. De beperkte middelen waarover ze beschikken voor collectievorming, schieten tekort om de verwerving ervan mogelijk te maken. Cruciale collectiestukken blijven daardoor in privéhanden en dreigen uiteindelijk naar het buitenland te verdwijnen. Wij willen een experimentele regeling invoeren waarbij aan de musea en erfgoedinstellingen van landelijk belang een voorstelrecht wordt toegekend voor de aankoop van dit type van collectiestukken.” (voormalige minister van Cultuur, beleidsnota Cultuur 2004-2009 (2004), p. 40). Deze beleidsnota werd door de vorige minister van Cultuur bij het Vlaams Parlement ingediend op 25 oktober 2004 en goedgekeurd in de plenaire vergadering van 2 maart 2005).

(7) Collectie Vlaamse Gemeenschap. Aanwinsten 1999-2001, (2005), p. 5.

(8) Beleidsnota Cultuur (2009-2013), p.62.